Gespecialiseerd in architectuur in organisaties, informatiemanagement en verandertrajecten
Uitleg van verschillende technische ICT-gerelateerde termen.

0-9

3GL :: (3th Generation Language) – instructie-geörienteerde programmeeromgeving. Voorbeelden: Cobol, Fortran,C

4GL :: (4th Generation Language) – object-georiënteerde programmeer/ontwikkelomgeving

A

Active Client :: client kant van Microsoft Active Platform. Het biedt ondersteuning voor scripttechnieken binnen HTML pagina’s (VBscript en Jscript), Java applets,
ActiveX componenten, ActiveX controls en Active documenten.

Active Platform :: een geïntegreerde en aanvullende set van client en server technologieën. Het integreren van Internet en de PC is het doel van het platform. Ook is het Active Platform component gebaseerd.

Active Server :: server kant van Microsoft Active Platform. Een verzameling van technologieën op de server, die voorzien in een component- en script model, systeem services, database-toegang, transactiebeheer- en beheersing, en berichtenverkeer.

ActiveX :: door Microsoft ontwikkeld platform dat bestaat uit technologieën en software programma’s.

ADSL :: (Asymetric Digital Subscriber Line) – Systeem om met gebruikmaking van het huidige koperen telefoonnet hoge download snelheden voor Internet te krijgen. Voor het uploaden van bestanden is ADSL minder geschikt.

AFC :: (Application Foundation Classes) in JAVA geschreven set Microsoft foundation classes.

API :: (Application Programming Interface) – verzameling regels en methoden waarmee een type applicatie kan worden geprogrammeerd d.m.v. standaard procedures en functies. Andere programma’s en/of objecten kunnen deze API aanroepen, om zo te communiceren met applicatie.

Application Partitioning :: het opdelen van een applicatie in zelfstandig werkende onderdelen; kenmerk hiervan is dat de benodigde onderdelen van de server gehaald worden wanneer ze nodig zijn.

Architectuur :: beschrijft de onderdelen van een systeem en hoe deze onderdelen samenwerken. Bekende voorbeelden van architecturen zijn de client/server-architectuur en de lagenarchitectuur(three-tier, two-tier, OSI netwerkmodel). Het gebruik van een architectuur maakt het mogelijk de systemen op een hoog niveau van abstractie te beschrijven en te analyseren, zonder te verzanden in (technische) details van de implementatie.

ASP :: (Application Service Providing) – Concept waarbij software wordt gehuurd bij een ASP. De applicatie draait via een netwerkverbinding vanaf een server van de ASP. De software komt dus niet op de eigen computer te staan. Voordelen hiervan kunnen zijn dat alleen het daadwerkelijk gebruik van de software betaald hoeft te worden en dat het onderhoud, het beheer en ondersteuning ook bij de ASP komt te liggen zodat dit niet zelf gedaan hoeft te worden. Nadelen zijn de hoge kosten van de verbinding (telefoontikken) en de snelle verandering van nieuwe versies software (opleidingskosten)

AWT :: (Abstract Windows Toolkit) – Java API dat ontwikkelaars in staat stelt GUI componenten te gebruiken binnen applicaties.

B

Backbone :: hoge snelheidsverbindingen tussen krachtige computersystemen. Deze verbindingen bestaan meestal uit glasvezelkabels. De computer-systemen worden nodes genoemd.

Back-end :: Het server gedeelte van een C/S applicatie dat zorgt voor de services over het netwerk. Term die gebruikt worden om programma-interfaces en services te karakteriseren in relatie tot de gebruiker (De gebruiker kan een mens zijn of een programma). Een “back-end” applicatie staat dichter bij de bron en heeft de mogelijkheid om daarmee te communiceren.

Bandbreedte :: de hoeveelheid data die in een bepaalde tijd kan worden verstuurd. De capaciteit van het transmissie medium, uitgedrukt in bits per seconde (bps) of als een frequency (Hz). In het algemeen staat een hogere bandbreedte voor een sneller dataverkeer.

BE :: (Business Engineering) – Het opnieuw ontwerpen van processen door te kijken naar de waardeketen en de samenhang tussen de onderdelen van de waardeketen

BPR :: (Business Process Redesign) – het grondig heroverwegen en radicaal herontwerpen van bedrijfsprocessen met als doel drastische verbeteringen te realiseren. Uitgangspunt hierbij is procesontwerp vanuit de klant.

C

C/S :: (Client/Server) – de onderliggende architectuur van alle programma’s die draaien via een netwerk. Het werk van een applicatie is opgesplitst in 2 delen namelijk de client (meestal een PC en de server (meestal een mainframe). De client legt een verbinding met de server en verzoekt om bestanden of informatie; de server reageert hierop door het benodigde te zoeken en te aan te bieden aan de client. Zeer bekend voorbeeld van C/S is internet

CGI :: (Common Gateway Interface) – standaardmethode om statische Webpagina’s te koppelen met software die draait op een Webserver .CGI vormt de lijm tussen een programma en een HTML-pagina. Zoals een applet op de computer van een gebruiker wordt uitgevoerd, zo wordt een CGI-programma uitgevoerd op de webserver.Denk bijvoorbeeld aan een programma in PERL

CGI Programming :: Programma’s schrijven die gegevens van het internet ontvangen en vertalen voor de WWW server. Deze programma’s zijn doorgeefstations naar en van grote applicaties.

Class :: Verzameling van objecten met dezelfde eigenschappen en gedrag.

Client :: Een client (meestal een PC) in een C/S omgeving is ‘vraag’kant die zijn antwoorden krijgt via de server.

Cobol :: (Common Business Oriented Language) – 3e generatietaal met een groot aantal gebruikers. Wordt veel gebruikt om mainframe applicaties te ontwikkelen.

COM :: (Common Object Model) – door Microsoft ontwikkelde standaard voor het aanroepen van objecten. Maakt het mogelijk om objecten, behalve in de ‘eigen’ software, ook in andere software te gebruiken zoals bijvoorbeeld spreadsheets, tekstverwerkes, databases, internet pagina’s en andere programma’s.

Container applicatie :: applicatie dat samengestelde documenten (compound documents)en componenten ondersteunt. Verzorgt opslag voor ‘embedded’ objecten. Bijvoorbeeld Microsoft Word, Internet Explorer. Control in een GUI gesitueerd object dat gemanipuleerd kan worden door een gebruiker om een actie te ondernemen. Buttons, scroll-bars en ActiveX controls zijn hier voorbeelden van.

Cookie :: bestand dat neergezet wordt op de harde schijf van de client. In het cookie wordt tijdelijke informatie over het contact met een bepaalde server bijgehouden.

COPAFIJTH :: (Afkorting van diverse aspecten) Brede analyse bij veranderingen. Hierbij wordt gekeken naar de volgende aspecten:
– Commercieel: impact bij de klant/richten op de klant
– Organisatie: impact bij de eigen organisatie
– Personeel: denk hierbij o.a. aan benodigde opleidingen
– AO: denk hierbij aan vroegtijdige controles en zoveel mogelijk parallele activiteiten
– Financieel: kosten baten analyse
– Informatie: kijk of dit op de juiste plaats aanwezig en geregistreerd wordt
– Juridisch: wordt voldaan aan de wettelijke richtlijnen
– Technologie: wordt deze juist ingezet en is die toekomstvast
– Huisvesting: Is deze juist afgestemd op de processen binnen bedrijven enz.

Corba :: (Common Object Request Broker Architecture) – open, platform-onafhankelijke standaard voor het samenstellen van gedistribueerde applicaties, standaard netwerk-interfaces en voor het integreren van informatie-systemen die op een verscheidenheid van besturingssystemen toegepast worden.

CRM :: (Customer Relation Management) – Modern relatiebeheer waarbij het gedrag van de klant inzichtelijk wordt. CRM-software maakt bestedingspatronen van klanten en verbanden tussen producten en klanten inzichtelijk. Hierdoor is er beter op de persoonlijke wens van de klant in te spelen. Ook wordt inzichtelijk welke klanten voor het bedrijf belangrijk zijn en welke trends zich afspelen.

D

DAO :: (Disk At Once) – term die gebruikt wordt bij CD writers. Hiermee wordt aangegeven dat cd’s gekopiëerd worden waarbij alle tracks in een keer worden gelezen en geschreven zonder dat de laser wordt uitgeschakeld. Dit is vooral van belang bij het kopiëren van audio CD’s.

DAP :: (Directory Access Protocol) – protocol is een standaard voor wereldwijde directory services. Ook X.500 genoemd.

Data warehouse :: centrale verzameling van operationele databases, waarin informatie is opgeslagen die kan dienen ter ondersteuning van het besluitvormingsproces. Centrale opslagplaats voor bedrijfs- en beslissingsondersteunende informatie, gescheiden van andere transactionele databases. Een datawarehouse is geen vervanging voor bestaande systemen en applicaties. Het kan gezien worden als een laag op de huidige, in de organisatie aanwezige, informatiesystemen

Datamining :: het zoeken naar relaties en patronen in grote databases, zonder vooraf de mogelijke relaties te definiëren. Deze zoektocht wordt ondernomen om beslissingen van het management te ondersteunen. Datamining is de basis voor het gebruik van informatie in een “datawarehouse”.

DCE :: (Distributed Computing Environment) – door Open Software Foundations ontwikkelde interoperabiliteits-standaard. Populair model en implementatie van het RPC protocol.

DCOM :: (Distributed COM) – op COM gebaseerde standaard, ontwikkeld door Microsoft om objecten te distribueren en op afstand met objecten te communiceren. Biedt de mogelijkheid om objecten op een andere machine te creëren en aan te spreken. Het is voor de ‘gebruiker’ van een object volledig transparant of het aan te roepen object zich op dezelfde of op een andere computer bevindt.

DHCP :: (Dynamic Host Configuration Protocol) – een TCP/IP protocol dat IP adressen toewijst aan stations in een netwerk.

Distributed Applications :: op C/S gebaseerde applicaties, waarvan een deel van de applicatie op de server draait en het andere deel op de client.

Distributed Database :: verleent gebruikers toegang tot data langs verschillende systemen, zonder dat de gebruikers hoeven te weten waar de database is gelocaliseerd.

DNS :: (Domain Name Service)- dienst die een domeinnaam naar een IP-adres (dus een nummer) vertaalt en andersom.

DSOM :: (Distributed Systems Object Model)- IBM’s implementatie van CORBA.

Dynamic HTML :: m.b.v. interfaces zoals CGI en ISAPI kan een browser een request verzenden voor een uitvoerbare applicatie. De server draait de gespecificeerde applicatie. De applicatie kan de informatie die geassocieerd is aan de request lezen en verwerken en stuurt het antwoord op die informatie terug naar de browser.

E

EDI :: (Electronic Data Interchange) – elektronische uitwisseling van gestructureerde en genormeerde gegevens tussen computers van bij (handels)transacties betrokken partijen, zonder menselijke tussenkomst.

Encapsulation :: mechanisme om informatie te beschermen in een object-georiënteerd systeem. Het verbergen van implementatiedetails door middel van een interface.

Encryptie :: conversie/versleutelen van gegevens in een bepaalde vorm zodat onbevoegden de originele gegevens niet kunnen lezen. Met behulp van een sleutel kan de originele inhoud weer gelezen worden

F

Fat client :: client die gebruikt maakt van plug-ins, scripttalen, controls of applets. Een groot gedeelte van de applicatielogica wordt op de client gesitueerd.

Firewall :: software systeem of een groep van systemen dat je in staat stelt toegangsbeveiliging te regelen voor het dataverkeer tussen Internet en het eigen prive-netwerk. Het programma beschermt het lokale netwerk tegen inbraakpogingen.

Front-end :: het client gedeelte van een C/S applicatie. Een front-end applicatie communiceert direct met de gebruikers en verzend de requests van de gebruikers naar de back-end applicatie op een andere computer voor de uitvoering van de request.

FTP :: (File Transfer Protocol) – “internet-taal” waarmee bestanden worden verstuurd(upload) of binnengehaald (download)

G

Garbage collection :: de mogelijkheid van Java om ontoegankelijke, ongebruikte stukken van het geheugen (“garbage”) op te schonen. Garbage verzameling vertraagt de performance van de machine maar behoedt hem voor het vollopen van het geheugen.

Gateway :: protocolomzetter. Een toepassingsspecifiek knooppunt dat netwerken met elkaar verbindt die eigenlijk incompatibel zijn. Zet gegevenscodes en verzendings-protocollen om, zodat interoperabiliteit mogelijk wordt.

GIOP :: (General Inter-ORB Protocol) – algemeen protocol waarop de ORB’s draaien. Definieërt dus de communicatie tussen ORB‘s.

GPRS :: (General Packet Radio Service) – techniek die zowel compatibel is met IP– als het X25-protocol en dus geschikt voor dataverkeer van en naar Internet. Maximale snelheid is 128 kilobytes per seconde. Telecommunicatiebedrijven willen dit gebruiken om mobiele telefoons te koppelen aan b.v. Internet.

GUI :: (Graphical User Interface) – grafische lay-out van de applicatie. De gebruikers maken via deze interface gebruik van de applicatie

H

Hot Java :: Internetbrowser die volledig in de Java taal is geschreven.

HTML :: (Hyper Text Markup Language) – de taal waarin World Wide Web (WWW)documenten worden vastgelegd. Bevat commando’s voor de opmaak van pagina’s, plaatjes en verwijzingen naar andere pagina’s.(basishandleiding HTML)

HTTP :: (Hyper Text Transport Protocol) – protocol dat boven op het TCP-IP protocol (het Internet protocol) gedefinieërd is en via welke de client en de server met elkaar communiceren.

I

IDE :: (Integrated Development Environment) – programma dat zowel de functionaliteit op de client en de server kan maken. Het programma bevat standaard een editor, een compiler en een debugger.

IFC :: (Internet Foundation Classes) – verzameling van JAVA classes die het mogelijk maken om GUI elementen te gebruiken, zoals buttons en windows. Is ontwikkeld door Netscape.

IIOP :: (Internet Inter Object Protocol) – object-georieënteerd protocol dat het mogelijk maakt voor gedistribueerde programma’s, die geschreven zijn in verschillende programmeertalen, om te communiceren over het Internet. Het protocol is gebaseerd op de CORBA architectuur.

IMAP :: (Internet Message Acces Protocol) – protocol voor het ophalen van e-mail, waarbij de berichten op de mailserver kunnen lijven staan.

Internet :: ontstaan uit het Arpanet in Amerika. Door koppeling aan andere computernetwerken uitgegroeid tot een wereldwijd systeem van aan elkaar gekoppelde netwerken en computers.

Interoperabiliteit :: aansluitbaarheid tussen applicaties en/of systemen. De mogelijkheid van twee of meer systemen of componenten om informatie uit te wisselen en om de uitgewisselde informatie te gebruiken.

Interpreter :: scripts moeten door het programma waarin het script wordt uitgevoerd nog worden vertaald naar machinecode op het moment dat het programma wordt uitgevoerd.

Intranet :: Intern, multimediaal communicatiemiddel waarmee medewerkers van de organisatie met elkaar kunnen communiceren, elkaar kunnen informeren en instrueren d.m.v. verschillende op Internet technologie- en standaards gebaseerde toepassingen, via het computernetwerk van de eigen organisatie.

IP :: (Internet Protocol) – het belangrijkste protocol van de 4 protocollen waarop het internet is gebaseerd. Met behulp van het IP kunnen gegevenspakketten op weg naar hun bestemming via andere netwerken ‘reizen’.

ISAPI :: (Internet Server Application Programming Interface) – door Microsoft ontwikkeld alternatief voor CGI

J

JAVA :: eenvoudige, objectgeoriënteerde, netwerkgebaseerde, platformonafhankelijke, op C++ gebaseerde ontwikkeltaal ontwikkeld door SUN Microsystems.

Java Base Platform :: bestaat uit 2 onderdelen; de Java Virtual Machine en Java API.

Java-Applet :: een klein platform-onafhankelijke applicatie geschreven in Java, die gedownload wordt en dat in de browser op client transparant werkt.

JavaBeans :: Standaard componenten die gebruikt kunnen worden binnen een Java-applicatie.

Javascript :: klein programma dat is ontwikkeld met Java door Netscape(is dus zelf geen Java!). De compilatie ervan wordt pas gestart wanneer het script gebruikt wordt.

Java-Servlet :: klein programma dat op de server draait. Biedt o.a. database-toegang.

JB-API :: (Java Base Application Programming Interface) minimale set dat nodig is om basis-applets en applicaties te kunnen draaien. Ontwikkelaars die applicaties op basis van deze minimale set ontwikkelen kunnen er zeker van zijn dat ze, zonder extra klasse bibliotheken, overal kunnen worden toegepast.

JDBC :: (Java Open Database Connectivity) – een in Java geprogrammeerde interface voor een eenvoudige toegang tot databases (zie ODBC).

JDBC-bridge :: interface bovenop ODBC; brug om de periode waarin nog maar weinig JDBC-drivers ter beschikking staan te overbruggen.

JDK :: (Java Developers Kit) – ontwikkelpakket van Sun Microsystems, die de basis set van tools vormen om Java applicaties te schrijven, te testen en te debuggen. Bestaat uit de Java Compiler, Java Virtual Machine, Java Class Libraries, Java Applet viewer, Java Debugger en andere tools.

JFC :: (Java Foundation Classes) – set van ontwikkelgereedschappen waarmee de ‘look’en ‘feel’van Java-applicaties kan worden bepaald.

JNI :: (Java Native Interface) – stelt Java objecten in staat om een platform, dat geschreven is in een andere programeertaal, te benaderen en daarmee te communiceren.

J-script :: door Microsoft ontwikkeld dialect van JavaScript.

JVM :: (Java Virtual Machine) – abstract, via software-emulatie geïmplementeerd processorsysteem. Onderdeel van het Java-platform

K

Kerberos :: op encryptie gebaseerd beveiligings service. De basis van de meeste services die DCE biedt op het gebied van beveiliging.

L

LDAP :: (Lightweight Directory Access Protocol) – protocol voor de toegang tot on-line-gidsdiensten over TCP/IP-netwerken en kan worden gebruikt voor toegang tot onafhankelijke LDAP-gidsdiensten en voor diensten die de X-500 standaard ondersteunen. Het biedt een standaard methode voor Internet-clients, applicaties en Web-servers voor toegang tot de vermelding van duizenden Internetgebruikers.

Legacy applicaties :: applicaties die verouderd zijn t.ov. de huidige informatietechnologie. Vaak zijn de lecacy applicaties bedrijfskritische applicaties. Kunst is om legacy-applicaties draaiende te houden tijdens de conversie naar nieuwere technologie.

LPC :: (Lars Pensjö C programming) – van C afgeleide programmeertaal vernoemd naar haar eerste maker.

M

Message passing :: Communicatie door gedeelde data vereist dat de communicerende partijen rechtstreekse toegang hebben tot de locatie waarin de gedeelde data is opgeslagen. Dit is praktisch onmogelijk bij systemen waarbij de processen geografisch gedistribueerd zijn. In plaats van het aanpassen van gedeelde data, communiceren processen door berichten naar elkaar te verzenden. Er moet dan een onderliggend communicatienetwerk zijn waardoor de berichten gezonden kunnen worden.

Message queuing :: methode waarmee processen data kunnen uitwisselen of doorsturen, gebruik makend van een interface naar een systeembestuurde wachtrij van berichten. De berichten wachtrij wordt beheerd en beheerst door het besturingssysteem.

Method :: programma proceduresen/of functies, gedefinieerd als een deel van een klasse en het zit in elk object dat deel uitmaakt van die klasse. Een klasse (en dus een object) kan meer dan één method hebben. Een method in een object heeft alleen toegang tot gegevens die bekend zijn bij dat object.

MFC :: (Microsoft Foundation Classes) – verzameling van API‘s. Set van ontwikkelgereedschappen waarmee de ‘look’en ‘feel’van Microsoft-applicaties kan worden bepaald.

Middleware :: Middleware is software dat de aansluitbaarheid tussen heterogene systemen, platformen en applicaties bevordert. De software bestaat uit een set van services die samengestelde processen -draaiend op één of meerdere machines- in staat stellen te communiceren via een netwerk. Middelware services zijn sets van gedistribueerde software die gepositioneerd wordt tussen de applicatie, het besturingssysteem en de netwerk services.

Mirror site :: exacte kopie van de HTTP-server, draaiend op een andere machine.

MOM :: (Message Oriënted Middleware) – gebaseerd op message-passing en message-queuing. Zie message passing, message queuing.

MP3 :: Mpeg layer 3-geluid. Aangeduid voor een bestandsvorm dat CD-geluid met een factor 10 tot 12 kan comprimeren. Dit formaat is dan ook populair op Internet om muziek te kunnen downloaden

Multidimensionale database :: database waarin ieder data attribuut (zoals product, verkoopregio, tijdsperiode) wordt weergegeven als een onderscheiden dimensie. OLAP software kan de intersectie van deze dimensies (zoals alle in de verkoopregio Amsterdam boven een bepaalde prijs en gedurende een bepaalde tijdsperiode) lokaliseren en weergeven. Attributen zoals tijdsperiodes kunnen onderverdeeld worden in subattributen

N

NCC :: (Network Centric Computing) – vertegenwoordigt een vorm van distributed computing en client/server computing, waarbinnnen het netwerk van IT-middelen wordt beschouwd als de leverancier van services. Dit netwerk kan zowel gericht zijn op de onderneming zelf als daarbuiten, waarbij naast informatie ook network-enabled applicaties te gebruiken zijn via het netwerk. Deze netwerkapplicaties zorgen voor een optimaal gebruik van het netwerk, ongeacht de configuratie of datacommunicatie op een werkplek.

Netwerk :: verzameling aan elkaar gekoppelde computers die met elkaar kunnen communiceren via protocollen.

NSAPI :: (Netscape Server API) – toevoeging aan de server van Netscape. Het biedt een mechanisme om een interface te bouwen tussen de HTTP-server en een back-end applicatie. Zie ISAPI, CGI

O

Object Oriënted Development :: manier van software ontwikkeling waarbij er afzonderlijke objecten worden ontwikkeld die elkaar binnen het totale programma aansturen. Een object is een hoeveelheid gegevens, ‘verpakt’ door een klein programma.

OCX :: bestands-extensie voor een ActiveX control of ActiveX component.

ODBC :: (Open DataBase Connectivity) – industriestandaard API dat applicaties toegang tot database-systemen biedt; gebaseerd op client/server architectuur en de X/OPEN SQL Call Level Interface (CLI); Niet geschikt voor direct gebruik met Java.

Off-line :: de client heeft geen continue verbinding met de webserver; de client download pagina’s/invulformulieren van het Internet om ze offline te bekijken/in te vullen en de gegevens daarna via een korte sessie te versturen via het Internet.

OLAP :: (On-line Analytical Processing) – stelt de gebruiker is staat om gemakkellijk en selectief informatie te tonen vanuit verschillende gezichtspunten. Een gebruiker kan bijvoorbeeld verzoeken om een spreadsheet waarin informatie wordt weergegeven. Deze spreadsheet vergemakkelijkt het analyseren. Om dit te verwezenlijken zijn OLAP gegevens opgeslagen in multidimensionale databases. OLAP software kan de OLAP gegevens in een voor analyse geschikte vorm weergeven.

OLE :: (Object Linking and Embedding) – interoperabiliteits-mechanisme ontwikkeld door Microsoft. Objecten die worden ingevoegd in een applicatie zijn gelinkt of zijn ingebed. Een gelinkt object betekent onderscheiden van een applicatiedocument, terwijl een ingebed object fysiek deel wordt van het applicatiedocument. Een object is een onafhankelijke programma-entiteit dat gebruikt kan worden door zowel gebruikers als door andere objecten.

OLE DB :: gegevenstoegangs-interfaces die voorzien in toegang tot SQL en andere gegevensbronnen (databases) binnen de onderneming en/of het Internet.

OLTP :: (On-line Transaction Processing) – term voor technologie van applicaties die een groot aantal transacties verwerken en de aan de applicatie gekoppelde databases up-to-date moeten houden. De databases worden door veel gebruikers gebruikt en gedeeld. Applicaties die op deze technologie zijn gebaseerd hebben Database Management Systemen of TP-monitoren nodig om toegangsbeheer, consistensie en integriteit te waarborgen.

On-line :: de client heeft een permanent contact met de webserver via b.v. een Internetverbinding

ORB :: (Object Request Brokers) – programmatuur dat optreed als een “agent” tussen een client request voor een service van een gedistribueerd object of component, en de uitvoering van de request. Wanneer men ORB ondersteuning heeft in een netwerk betekent dit dat een client programma een request voor een service kan plaatsen zonder op de hoogte te zijn waar de server zich bevindt in een gedistribueerd netwerk, of hoe de interface met het server-programma eruit ziet.

OSI :: (Open Systems Interconnection) – model voor communicatie tussen 2 computer-applicaties, waarbij de functionaliteit verdeeld is over 7 lagen

P

Partitie :: is een gedeelte van de harde schijf dat door een besturingssysteem wordt gezien als een afzonderlijke schijf. Zo kan bijvoorbeeld een grote harde schijf opgedeeld worden in meerdere partities zodat het voor het besturingssysteem lijkt alsof er meerdere harde schijven zijn. Op deze manier kunnen (indien ondersteund) ook meerdere besturingssystemen gebruikt worden.

PERL :: (Practical Extraction and Report Language) – programmeertaal die vaak gebruikt wordt voor het maken van CGI-scripts. Deze programma’s kunnen alleen uitgevoerd worden indien PERL op de server staat.

Plug-in :: software programma dat extra mogelijkheden geeft aan een groter programma bijvoorbeeld een browser. Wordt aangeroepen vanuit een HTML document.

POP :: (Post Office Protocol) – protocol waarmee post op een client kan worden ontvangen.

PRINCE :: (PRojects IN Controled Environments) – Projectmanagementmethodiek die veel gebruikt wordt voor projecten binnen de overheid. Methode is ontwikkeld vanuit de ‘best practices’. De business case speelt een centrale rol binnen PRINCE2. Binnen de business case definieert men de rechtvaardiging van het project. Toetsing hieraan vindt binnen het gehele traject periodiek plaats en afwijken worden direct vertaald in acties.

Protocol :: standaard die vastlegd hoe computers in een bepaalde context met elkaar communiceren.

Proxy :: mechanisme waarbij een systeem zich voordoet als een ander systeem bij het reageren op protocolverzoeken.

Pull mechanisme :: mechanisme waarbij de gebruiker het initiatief moet nemen om informatie te bemachtigen.

Push mechanisme :: het aanbieden van pakketjes informatie door deze informatie te ‘duwen’ naar de gebruiker. Televisiekanalen zijn hier een voorbeeld van.

Q

Query ::  een verzoek om informatie uit een database, waarbij een match wordt gezocht bij een set criteria.

R

RAD :: (Rapid Application Development) – methode om systemen te ontwikkelen in een aantal fasen. Vereist een grote gebruikersparticipatie. Levert bruikbare werkende delen van het te ontwikkelen systeem op met korte intervallen. De delen worden steeds verder uitgebouwd tot het uiteindelijke resultaat. Concentreert zich vooral op het resultaat en minder op het traject van ontwerpen.

Request :: serviceverzoek van client in een client/server omgeving.

RMI :: (Remote Method Invocation) – een set van protocollen ontwikkeld door Sun’s JavaSoft Division, die Java objecten in staat stelt om op afstand met elkaar te communiceren in een gedistribueerd netwerk. Ontwikkeld voor gebruik binnen de Java omgeving.

Routing :: systeem waarmee gegevens kunnen worden uitgewisseld tussen 2 netwerken die dezelfde protocollen gebruiken. De fysieke eigenschappen van de netwerken kunnen verschillend zijn. Een router kan bijvoorbeeld de uitwisseling van gegevens mogelijk maken tussen een Ethernet-netwerk en een huurlijn.

RPC :: (Remote Procedure Call) – protocol dat een programma kan gebruiken om een request te plaatsen voor een service van een ander programma op een andere computer in het netwerk zonder de netwerkdetails te begrijpen. RPC gebruikt het client/server model. RPC maakt het makkelijker om een applicatie te ontwikkelen/ te gebruiken dat andere programma’s nodig heeft in een gedistribueerd netwerk.

S

Script :: klein programma dat op basis van een request wordt uitgevoerd; wordt eventueel gecompileerd door een ander programma.

SET :: (Secure Electronic Transactions) – een protocol voor veilige electronische creditcard betalingen.

SMTP :: (Simple Mail Transfer Protocol) – protocol waarmee post over Internet wordt verstuurd.

SQL :: (Structured Query Language) – standaard interactieve programmeertaal om informatie uit en in een database te krijgen.

SSL :: (Secure Sockets Layer) – protocol dat door Netscape is ontwikkeld om vertrouwelijke informatie beveiligd over het Internet te verzenden.

State-less :: toestandloos. Er is alleen contact tussen de server en de client als er werkelijk gegevensoverdracht plaats vindt.

Static HTML :: in het statische model stuurt de browser een request voor een HTML pagina naar de server; de server ontvangt de request en stuurt de pagina naar de browser. Gelimiteerde interactie tussen de gebruiker en de Webserver en de statische pagina’s moeten handmatig bewerkt worden om de inhoud up-to-date te houden.

T

TAG :: HTML-commando. Alle HTML-commando’s die er binnen deze taal bestaan worden aangeduid met een ‘TAG

TCP/IP :: (Transmission Control Protocol Internet Protocol – Veel gebruikt protocol bij C/S interacties. In wezen is dit een verzameling van afspraken (protocollen) op basis waarvan het berichten- en bestandenverkeer binnen die op het Internet aangesloten computers plaatsvindt.

Telnet :: protocol om verbinding te maken met een andere computer op het Internet.

Thin client :: client die zoveel mogelijk gebruik maakt van de programma’s geïnstalleerd op de server om m.b.v. die programma’s de mogelijkheden van de client vergroten. Hierbij vinden de bewerkingen zoveel mogelijk plaats op de server.

Tier :: (two-tier / three-tier) lagenarchitectuur. In het two-tier model zijn de database en het front-end van elkaar gescheiden in een maatwerk C/S systeem. Veel legacy (verouderde)-systemen hebben deze architectuur. In het three-tier model is een laag tussen de database en het front-end toegevoegd waarmee flexibiliteit en snelheid wordt toegevoegd.

TP-monitor :: (Transaction Processing monitor) – programma dat een transactie controleert en beheerst wanneer de transactie van de ene (bepaalde) toestand in de andere overgaat binnen een proces. Het doel van de TP-monitor is het verzekeren van de volledigheid en de juistheid van het proces van de transactie en zal in geval er een fout optreed adequate maatregelen te nemen.

Transparant :: letterlijk: doorzichtig. De gebruiker dient afgeschermd te worden van inhoudelijke zaken m.b.t. het onderliggende technische proces.

U

UMTS ::  (Universal Mobile Telecommunication System) – technologie voor mobiele netwerken waarbij een (theoretische) snelheid mogelijk is van 2 Megabit. Deze snelheid zou voldoende moeten zijn voor streaming geluid en video.

V

VBscript ::  (Visual Basic script) – klein programma dat is ontwikkeld in de ontwikkelomgeving ‘Visual Basic’ van Microsoft

W

Web client :: programma dat requests/aanvragen voor services verstuurt naar de Web server.

Workflowmanagement :: het beheersen en sturen van processen met behulp van informatietechnologie. Zorgt voor optimalisatie bedrijfsprocessen.

WWW :: (World Wide Web) – al de bronnen en de gebruikers van het internet die gebruik maken van het Hypertext Transport Protocol.

WWW browser :: HTTP-client programma waarmee de documenten beschikbaar zijn op een HTTP server ontsloten kunnen worden.

WWW server :: programma dat requests van HTTP-clients kan beantwoorden.

WYSIWYG :: (What You See Is What You Get) – editor of programma met een Graphical user interface (GUI) dat een pagina of tekst tijdens het ontwikkelen precies weergeeft zoals het eindresultaat eruit zal zien.

X

X.500 (DAP) :: (Directory Access Protocol) – DAP protocol is een standaard voor wereldwijde directory services.

X.509 Certificaat :: protocol voor een cryptografisch certificaat dat een unieke naam en een leverancier-specifieke, publieke sleutel bevat.

Y

 

Z